Geheimzinnig collegebesluit inzake verkoop gemeentelijk onroerend goed?

College van Burgemeester & Wethouders
Postbus 35
4600 AA Bergen op Zoom
Onderwerp: Geheimzinnig collegebeleid inzake verkoop gemeentelijk onroerend goed?

Bergen op Zoom, 18 april 2021

Geacht college,

Artikel 169, lid 1 van de Gemeentewet luidt: “ Het college en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan
de raad verantwoording schuldig over het door het college gevoerde bestuur.”
Art.2 : “ Zij geven de raad alle inlichtingen die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft”.
Art.3: “ Zij geven de raad mondeling of schriftelijk de door een of meerdere leden gevraagde
inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang.”
Zo maar even een paar artikelen uit de Gemeentewet; het leek Lijst Linssen verstandig het college
hier eens een keer aan te herinneren; zeker gelet op de actualiteit.
College en raad hebben in gezamenlijk besloten om onroerend goed te verkopen. Echter, indien de
informatie klopt, wordt de raad niet door het college geïnformeerd, aldus wethouder Koenders.
Want de verkoop zou vooral onderhands moeten plaatsvinden.
Lijst Linssen is verbijsterd over deze handelwijze en buitengewoon verontwaardigd.

Gelet op bovenstaande, hebben wij de volgende vragen aan het college:

1. Is het college zich bewust van het feit dat het college een actieve en passieve
verantwoordingsplicht heeft naar de raad? Slechts in zeer bijzondere omstandigheden kan
het college besluiten hiervan af te wijken maar daar kan volgens Lijst Linssen in het
onderhavige geval geen sprake van zijn, mede gelet op datgene dat wij in vraag 2 wensen te
vernemen. En dat het college, indien de uitlatingen van wethouder Koenders kloppen, dus in
strijd handelt met de gemeentewet?
2. Waarom besluit het college over te gaan tot onderhandse verkoop? Lijst Linssen vindt dit een
uiterst dubieuze handelwijze want:
a. Realiseert het college zich dat, in de huidige tijd van spanning op de woningmarkt, de
onroerend goed prijzen behoorlijk stijgende zijn? En dat openbare verkoop dus een
aanzienlijk hogere verkoopprijs kan opleveren? Wat dus een beter resultaat oplevert
voor de erbarmelijke staat van de gemeentelijke financiën?
b. Realiseert het college zich dat ‘onderhandse verkoop’ in de publieke opinie een heel
verkeerd beeld kan oproepen? Dat er suggesties ontstaan over vriendjespolitiek en
bevoordeling? Indien dit gebeurt, is het college daar zelf voor verantwoordelijk en zal
2
Lijst Linssen het college en de desbetreffende leden afzonderlijk, hiervoor
verantwoordelijk houden.
3. Beseft het college dat de hele gemeentepolitiek, door deze opstelling in een buitengewoon
slecht daglicht komt te staan? Zeker na het debacle over onzinnige verkoopplannen van
bijvoorbeeld het stadhuis? Deze voorgenomen verkoop leverde immers een hoop commotie
op.

Vooruitlopend op uw beantwoording, zal Lijst Linssen een motie ter goedkeuring aan de
gemeenteraad voorleggen inzake de verkoop van gemeentelijk onroerend goed.
Gewenste wijze van beantwoording:
Cf. ex. Art. 36 van het RvO.
.
Met vriendelijke groet,

LIJST LINSSEN:

Ton Linssen,
Sander Siebelink